Die waarin Lauren leert haken

Ik ben niet onmiddellijk de meest handige persoon die deze aarde siert. Om het in de eufemistische woorden van mijn moeder te zeggen: “Ik had nooit een handwerksterretje in jou gezien”. En aangezien moeders verplicht zijn om alles wat hun kinderen doen fenomenaal te vinden, kan dat als uitspraak wel tellen. Het ontbreekt mij gewoon ergens in finesse, een zekere fijngevoeligheid. Laten we het daarbij houden.

Mijn verwachtingen waren dan ook niet torenhoog gespannen toen ik afsprak met Veerle voor een haakles in hartje Mechelen. Het eerste half uur was gesukkel. Ondanks de glasheldere uitleg stuntelde ik met wol en haakpen en moest ik gemiddeld eens om de tien seconden vragen in welk gaatje mijn steek alweer thuishoorde. Ondanks mijn tempo (piano piano) zag mijn haakstukje er wel mooi en even uit. Ik denk niet dat iemand ooit trotser is geweest op een stukje wol van 10 vierkante centimeter. Ik was vertrokken.

Dagenlang oefende ik de technieken die ik tijdens mijn les had geleerd, ging ik op zoek naar informatieve YouTube filmpjes en vroeg ik Veerle de oren van het hoofd via Facebook en Twitter. Een cyberstraatverbod is tot op heden gelukkig nog geen realiteit. Na mijn eerste eenvoudige sjaal kriebelde het om eens een patroon te proberen, en zo geschiedde.

Op de blog van Veerle vond ik een link naar een leuk patroon voor een uiltjesmuts en ik was meteen verkocht. Voor iemand die nog maar twee weken haakt is zo’n patroon een beetje Duits (niet zo onverstaanbaar als Chinees, maar toch niet helemaal duidelijk), maar met mijn haakhulplijn op slechts een muisklik van me heen, kan ik met trots zeggen dat ik vanaf heden een uiltjesmuts in mijn collectie heb.

Als je op zoek bent naar iets leuk en hip om te doen kan ik zeker een haakles met Veerle (de Geduldige, de Aanmoedigende) aanbevelen. Het enige wat je kan gebeuren is kramp in je hand, maar ik heb nergens beweerd dat haken een hobby voor woesies is.

muts haken leren haakles

Zij komt, hij ging.

Binnen twee weken is Steffi er weer, dan is ze echt terug. Anderhalf jaar moest ik het doen zonder haar ongeëvenaarde enthousiasme, haar warme hart, haar pep talks en haar moed. Zonder dat brandende vuur in haar ogen. Die blik van haar, die je op slag liet weten wanneer het menens was. Wanneer ze haar hart op tafel zou leggen en zonder aarzelen de afwijkingen zou dissecteren. Zij toonde me haar fouten, gebreken en twijfels, en ik voelde me veilig. Veilig om te reciproceren, te debatteren, te speculeren.

Image

Zij is het meisje dat leeft, dat doet. Dat niet wacht op erkenning of goedkeuring van een ander. Iemand die zomaar voor een hele zaal roept. Of zingt en rond rent in de gietende regen. Als ze daar zin in heeft, gewoon. Ze brengt plezier en vrijheid in deze wereld. En ik houd van haar.

Hij is een Bulgaar. Ik ken hem niet, maar zijn dochter komt om de twee weken bij me schoonmaken. Vanmiddag stond ze aan de deur, een kwartier vroeger dan gepland. Dat ze niet kon blijven vandaag. Haar stem brak. Haar vader was overleden. Ik ken haar eigenlijk ook niet. Nauwelijks haar naam. Wat moet een mens met zo’n vleesgeworden hoopje miserie op de stoep. Daar stond ik dan, op mijn kousen in het portiek. Mijn armen om haar frèle lichaam heen. Haar tranen op mijn trui. Mijn lippen fluisteren tegen haar zwarte haar. Dat ze zich niet moet excuseren. Dat het echt niet geeft. Dat ze bij haar familie moet zijn. En ik denk aan hoe ik niet kan wachten tot Steffi er weer is. Voor momenten als deze.

Zij komt, hij ging, en ik, ik zit hier maar wat.

Het oor

Vandaag heb ik een afspraak bij de dokter, een controle. Bij de man die mijn oor beschrijft in carrosserie-metaforen, alsof uitlaat en chassis mij meer zouden zeggen dan stijgbeugel en trommelvlies. Bij de man die mijn gehoorgang verbreedde, in de hoop dat “het oor” zichzelf zo beter zou verluchten. Iets wat mijn nieuwe huisartsen telkens onmiddellijk opvalt. “Wow, die gehoorgang is wel breed”, zeggen ze dan verwonderd, het soms vergelijkend met een tunnel of een autostrade. Dan lach ik verontschuldigend en haal ik mijn schouders op, mezelf geruststellend dat dat de enige opening in mijn lichaam is waar ze zo ongebreideld opmerkingen over durven maken.

Ik zit in één van de belhokjes op het werk, op het bureautablet waar een alerter mens zijn laptop op plaatst, leunend tegen de muur met mijn telefoon tegen mijn oor gedrukt. Niet “het oor” natuurlijk, daardoor hoor ik niet goed genoeg. Een collega kijkt verwonderd wanneer hij langs mijn hokje passeert, waarschijnlijk geschrokken van mijn onorthodoxe houding. De persoon naast me hangt ook over het tablet, eerder dan er netjes aan te zitten. Het is duidelijk vrijdag, voor iedereen. Opzwepende wachtmuziek tergt mijn brein terwijl ik wacht op een stem aan de andere kant van de lijn. Nerveuze violen bestijgen de notenladder terwijl ik mijn lippen van links naar rechts pulseer. De muziek stopt en gaat over in een monotone biep. Ik adem in en uit op het ritme van de tonen en wacht net iets te lang tot ik een stem aan de andere kant van de lijn hoor. Ik vertel dat ik om drie uur een afspraak heb, en vraag of het een goed idee is om op tijd te komen. Een vraag die op sommige plaatsen misschien vreemd zou overkomen, maar voor de bediende is het verzoek niet ongewoon. “Nee, nee eigenlijk niet”, zegt ze, en ze vraagt me om haar rond drie uur even terug te bellen voor een update. Daar zit het verschil tussen nieuwelingen en geïnitieerden, denk ik, een extra wachttijd van gemiddeld twee uur.

Het is half vijf wanneer ik me langs één van de maar liefst 500 mogelijke routes een weg baan door het ziekenhuis. Ik meld me aan en neem plaats op één van de grote oranje banken, tegenover een rasechte Antwerpenaar met lange grijze haren en een kalende kruin, die door één van de hulpartsen naar huis wordt gestuurd tot nader order. Ik word meegenomen naar een klein, afgezonderd hokje voor een gehoortest. Wanneer de assistente de koptelefoon over mijn oren plaatste hoor ik enkel nog ruis. De spreekwoordelijke zee die door je oren gonst wanneer je je oor tegen een schelp drukt, ook wanneer het de schelp van een koptelefoon blijkt te zijn. Ik voel me een beetje dom terwijl ik telkens weer mijn hand in de lucht werp bij elke toon die staccato door de ether wordt gestuurd; soms laag, soms hoog. Gauw hoor ik echter niks meer. Behalve dan natuurlijk het suizen van mijn eigen oren. De assistente draait de hoofdtelefoon 90 graden, waardoor één van de schelpen midden op mijn voorhoofd komt te prijken. Ik weet gewoon dat de excentrieke eenhoornlook niks voor mij is, en ben dan ook blij wanneer ze me komt verlossen uit mijn benarde positie.

“Het ziet er heel slecht uit”, zegt ze gedwee terwijl mijn hart even een sprongetje maakt. Dat sprongetje dat je voelt wanneer je op vakantie vertrekt en je je plots afvraagt of je het gasvuur wel hebt uitgedraaid, wanneer je beseft dat je je splinternieuwe laptop bent vergeten op de trein, of wanneer je bij de dokter zit en te horen krijgt dat het er slecht uitziet. “De dokter heeft enorm veel vertraging vandaag”, vervolgt ze en een exces aan zuurstof baant zich terug een weg door mijn longen. Ik bedank haar en neem weer plaats in de wachtzaal.

De dokter ziet er nog steeds uit zoals ik me hem herinner. Met vriendelijke ogen en een imposante baard. Hij heeft zijn witte jas ingeruild voor een marineblauw pak, en hij schudt me de hand terwijl ik binnenstap (wachttijd: ca. 45 minuten). Hij klinkt Antwerpser dan ik me herinner. Misschien komt dat omdat ik ondertussen al enkele jaren niet meer in Antwerpen woon. Na enkele jaren aanpassen vallen tongvallen je minder op. Dialecten waarin bepaalde klanken wat langer op de tong blijven liggen, of net prompt worden ingeslikt, lijken af te vlakken. Of dat dacht ik toch. Ik vraag me af of ik dra ook aan het West-Vlaams zal acclimatiseren. Dat ik de glottisslagen niet meer met een half omhooggetrokken wenkbrauw ontvang.

De doktersstoel waarin hij me vraagt plaats te nemen is op een steriel witte muur gericht. De ondergaande zon creëert een angstaanjagend schaduwspel waarin het profiel van de dokter zich een weg naar mijn hoofd baant een een lang, smal apparaat deels in mijn oor verdwijnt. Ik huiver bij het horen van het vertrouwde “te stevige milkshake voor een te dun rietje” geluid, dat een resultaat is van het stofzuigertje waarmee hij mijn oor schoonmaakt om een beter zicht te kunnen hebben op de situatie. Hij knikt tevreden en vertelt me dat ik nu ook wel degelijk kandidaat ben voor de procedure waarvoor ik al meer dan een jaar op de wachtlijst sta. Zo moeten de vrouwen in The Bachelor zich voelen wanneer ook zij een rode roos in de hand gedrukt krijgen. Hij gokt dat het binnen een jaar wel mijn beurt zal zijn, maar moet snel nog even een allergietest afleggen zodat hij een plan van aanpak kan bepalen. Zijn assistente druppelt zorgvuldig een product op een pleistertje, dat ze keurig op mijn arm plakt. “Zo,” zegt ze, “nu mag je je gewoon drie dagen niet wassen”. “Zo”, denk ik.

Ruis

Ik weet niet goed wanneer ik ben beginnen worstelen met depressie. Het was de moeder van mijn eerste vriendje, met wie ik op mijn 17e brak, die na het eindigen van de relatie zei dat ze hoopte dat ik in de toekomst wat gelukkiger zou worden. Ik was schoolmoe, las boeken tijdens de les omdat ik me zo verveelde, en vermeed grotendeels contact met mijn klasgenoten.

In 2006 ging ik op kot, en de bevrijdende vrijheid waarop ik had gehoopt landde eerder als een mokerslag dan het verwachte bungeekoord dat me naar betere oorden zou katapulteren. Wat begon met een ochtend uitslapen eindigde al snel met een dag dat ik mijn bed niet uitkwam, in mijn pyjama rond bleef lopen. Maar al bij al ging het best.

Toen iemand die me nauw aan het hart lag plots overleed ging het moeilijker, maar het ging. Ik vluchtte. Letterlijk. Naar het buitenland. Maar het ging. Het was pas enkele jaren later dat ik wegzakte in een put waarvan ik niet zeker was of ik er ooit zou uit geraken.

Dagen aan een stuk kwam ik mijn bed niet uit. Ik liet mijn hond op mijn klein dakterrasje in de hoop dat ze daar haar behoefte zou doen. Ik bestelde pizza of andere fast food omdat koken, iets wat ik anders zo graag deed, een onmogelijke taak leek. Ik kon alleen nog maar in bed liggen, slapen. En me schuldig voelen omdat ik zo leeg was dat ik alleen nog maar kon in bed liggen en slapen.

Je waardeloos en schuldig voelen is deprimerend, maar zoals Andrew Solomon (onderstaand filmpje is een must-see) zegt, niet wat een depressie definieert: depressie is niet  de afwezigheid van geluk, het is de afwezigheid van vitaliteit. De grote berg die je moet beklimmen om de belachelijkste dingen gedaan te krijgen. En dat is wat je kreupel maakt.

Hoe langer je met depressie danst, hoe meer je je begint af te vragen of je slechts de schaduw bent op de wand van de grot. Je begint je af te vragen wie echt is: depressieve jij of vitale jij. Maakt medicatie je terug jezelf of net iemand anders?

Het is ook een stukje dat je altijd met je meedraagt, zelfs in betere tijden. Je kan geen dagje lekker luieren. Dan komt die angst opsteken. Angst om weg te zakken. Je bent bewuster met dingen bezig, denkt vaker aan dingen waar een ander niet bij stilstaat. Het is moeilijk om dat uit te leggen aan iemand die nooit depressief geweest is. Het is alsof je beiden op een andere golflengte naar hetzelfde radiostation luistert. Jullie luisteren naar hetzelfde lied, maar enkel jij hoort de ruis.


Filmpje via @jvolby

Duivelsuitdrijvingen

Dagelijks worden we overspoeld met slecht nieuws. Tot wel drie keer per dag vertellen nieuwslezers in keurige jasjes ons zonder verpinken over rampen en moorden. Over politici die hun beloften niet nakomen. Over ongelukken. Over kwaadwillige mensen. Over mensen die fouten maken.

Tieners zonder rijbewijs die een groepje kinderen wegmaaien aan een bushalte. Machinisten die kicken op hoge snelheden en niet nadenken over de gevolgen. Oververmoeide vrachtwagenchauffeurs die in slaap vallen achter het stuur.

Het is gemakkelijk om die mensen met het vingertje te wijzen. Om hen af te schilderen als dom, gevaarlijk en egoïstisch. Geen greintje begrip voor anderen! Ik schakel persoonlijk voor minder om naar vingerwijsjesmodus.

Een kleine selectie uit mijn irrationele ergernissen: mensen die hun richtingsaanwijzers niet gebruiken, in het midden van twee parkeerplaatsen parkeren, hun sigaret uit het raam gooien, papiertjes op straat gooien. Wat voor rotmensen moeten dat zijn! Er is vast niemand die van hen houdt.

Maar dan geeft de realiteit me een klap in het gezicht. Deze maand nog vielen maar liefst twee van mijn vrienden in slaap achter het stuur. Beiden hadden ook een glaasje op. Jonge mensen met passies en ambities. Mensen met empathie. Van vlees en bloed. Mensen die ik verdomme graag zie.

We doen allemaal slechte dingen. Dat is net inherent aan het mens-zijn. Denk maar aan uitdrukkingen als: ‘Fouten maken is menselijk’, en ‘Hij is ook maar een mens”. Het is gemakkelijk om foutenmakers te demoniseren. Om hen te ontmenselijken en hen ergens in een moreel dal te duwen. Maar achter elke zondaar staat iemand die hem graag ziet, zoals ik ook mijn vrienden graag zie. Dat praat natuurlijk niks goed, maar de volgende keer dat iemand een fout begaat probeer ik Satan erbuiten te houden.

Gastblog: Party Parents – Coke in de keuken en tafeltje-dans

Een mens moet kunnen ventileren. Soms wild fulminerend tegen vriendinnen, soms in 140 karakters tegen de hele wereld (of toch tegen iedereen die het wil horen). Soms, echter,  volstaan 140 karakters niet en schiet Twitter tekort. Voor zo’n momenten leen ik graag mijn blogplatform uit aan mensen die iets te zeggen hebben. Tegen de hele wereld (of toch tegen iedereen die het wil horen). Vandaag geef ik het woord dan ook graag aan Sofie (@Filo_sofietje op Twitter. Over Party Parents – Coke in de keuken en tafeltje-dans (DS Weekblad, zaterdag 7 december 2013, nr. 120)

Het is zaterdagochtend en ik was het weekblad van De Standaard aan het lezen. Het artikel dat mijn aandacht trok, gaat over jonge ouders die niet willen stoppen met uitgaan wanneer ze kinderen krijgen. En ook over hoe zij soms nog steeds partydrugs en (overmatig) alcohol gebruiken. Hoewel ik zelf nog geen ouder ben, kan ik mij wel inbeelden dat het broodnodig is om af en toe een avond voor jezelf te reserveren, al dan niet om uit te gaan. Niemand moet zichzelf plots helemaal wegcijferen omdat er kinderen zijn. Waar voor mij in dit artikel het schoentje wringt, is de banalisering van druggebruik, en dat de geïnterviewde ouders doen alsof het kleinburgerlijk is als iemand ervoor kiest om niet wild te feesten of drugs te gebruiken.

Hier komt het stuk waar ik mij zelf aangesproken voel – ik ben immers nog geen ouder. Is iemand ‘burgerlijk’ omdat hij of zij niet gaat fuiven? Voor mij gaat ‘burgerlijk’ zijn over kleingeestig gedachtengoed hebben. En is iemand dan minder ruimdenkend, omdat hij niet graag naar feestjes gaat, zich niet bezat of geen drugs neemt? In mijn ogen hebben die twee zaken helemaal niets met elkaar te maken. Geïnterviewde jonge vader Ben – niet vies van een lijntje, tripdrugs of drank – gooit er deze uitspraak uit: “Ik denk dat sommige volwassenen een gebrek aan initiatief wegmoffelen achter het ouderschap. Ze hebben een excuus gevonden om niet meer naar optredens of feestjes te gaan. Ze kunnen nu gewoon als couch potatoes naar dvd’s kijken, want ze zijn toch ouders.” Ik denk dat Ben het hier niet bij het rechte eind heeft als hij het heeft over excuses en gebrek aan initiatief. Mensen die een job en ouderschap van jonge kinderen moeten combineren, hebben misschien gewoon geen energie meer om ‘s avonds nog in het nachtleven te duiken. Een zak chips en een dvd zijn op dat moment voor velen vast een stuk aantrekkelijker. Is dat voor hem niet zo? Heel fijn, maar het lijkt mij wat voorbarig om andere mensen zo’n verwijten naar het hoofd te slingeren.

Moeder Tine gooit het over dezelfde boeg. “Voor mensen die een burgerleventje gewend zijn, is het wellicht even schrikken om zo twee vrijgezellenmama’s op pad te zien”. En dan even later: “We gedroegen ons niet eens als twintigers, maar als zestienjarigen. Echt puberaal, gewoon plezier maken.” Volgens mij ging het die mensen met een burgerleventje dan toch eerder om het gedrag van deze moeder, dan over het feit dat ze op stap was. Die mensen met dat burgerleventje waren immers misschien ook wel op stap, aangezien ze elkaar in het uitgangsleven tegenkwamen?

Hoewel het ergerlijk was voor mij dat deze mensen er zo’n opinie over anderen op na hielden, kan dat nog gerelativeerd worden. Ze schaden er immers niemand mee. Wat wel eens schadelijk kan zijn, was hun druggebruik. Zowel voor zichzelf (mogelijke verslaving en andere nadelige effecten op hun lichaam én geest) als voor hun kinderen. Maar het was zeer frappant hoe deze ouders het idee hadden dat hun kinderen helemaal geen last hadden van hun nachtelijke activiteiten. Vreemd, zou je denken, want zoals ook orhopedagoge Veerle Soyez opmerkt: “Kinderen zijn zeer goede observators en voelen zaken goed aan, vaak beter dan we zouden willen”. Er zijn ook heel grote tegenstrijdigheden in wat de ouders hier zelf over zeggen: “Na zulke avonden (met cocaïne, al dan niet in combinatie met een beetje lsd of MDMA, zie eerder in artikel, nvdr) halen mijn vriendin en ik onze dochter pas tegen de avond bij de grootouders op, wanneer we uitgerust zijn.” Maar dan even verderop dit: “Oké, het is al eens gebeurd dat ik om halfacht thuiskwam en mijn dochter wakker was.” En dan ook nog dit: “Ben is er zeker van dat zijn dochter nergens last van heeft. ‘Ik heb nog nooit een ochtend gemist. Het is al gebeurd dat ik mijn dochter naar school bracht, ook al had ik maar een uur of twee geslapen.’”

Tegenstrijdigheden troef dus. Ook bij moeder Tine vinden we dergelijke contradicties. Eerst de ontkenning dat de kinderen er last van hebben: “Meestal ga ik uit als de kinderen bij hun papa zijn. We zien elkaar maar om de week en ze vinden het sneu als ik ook veel weg ben als het hun week bij mij is. En ik ook trouwens.” En dan tal van uitspraken die er op wijzen dat ze wél uitgaat als de kinderen er zijn. “Al probeer ik wel geen kater te hebben als de kinderen er zijn” en “Als ik echt veel last heb, zeg ik dat ik even de was ga insteken en leg ik mij een kwartiertje op bed”.

Mijn besluit? Ik heb niets tegen alcohol- en druggebruik zolang er niemand last van heeft. Maar het is bijna niet mogelijk om zoiets helemaal voor kinderen te verstoppen. Wat ga je zeggen als ze zelf willen experimenteren met zo’n dingen? Het plaatst alles in een ander daglicht. Je eigen lichaam volpompen met drugs is je eigen keuze, maar vast niet wat je wil voor je kind.
En twee keer nadenken voor je iemand burgerlijk noemt, zou ook geen slecht idee zijn. Kwestie van de dingen juist te benoemen.

Dan nog om af te sluiten deze ‘lijn’ woordgrapjes (want woordgrapjes zijn altijd leuk): ‘De toppers zijn nog altijd cocaïne (in stijgenden lijn) [...]. En: ‘Er (in druggebruik van ouders, nvdr) is ook moeilijk een lijn in te trekken’. So punny.

 

Sokken

“Lauren, leg dat nu toch eens op zijn plaats!”. Ik hoor het mijn vader nog zo zeggen. Als je zulke dingen genoeg hoort worden ze in je hoofd gegraveerd. En gehoord heb ik ze. Mijn hele kindertijd door was ik een enorme sloddervos. Ik schonk vaak weinig aandacht aan rommel, omdat mijn vader mijn vuile bordjes onder mijn neus weggriste en mijn verdwaalde papiertjes in de vuilnisbak wierp. Ik zie mijn moeder nu trouwens wild instemmend knikken achter het scherm van haar computer. Maar het was niet puur uit nonchalance. Ergens leek me dat gewoon een vreemd concept. Een plaats hebben.

Wat een vreselijke vloek moest dat toch zijn, om exact te weten waar je staat of ligt, waar je hoort. Wetend dat je uiteindelijk toch telkens weer op dezelfde plek belandt. Ik was nog te jong voor zingeving en Camus, maar nu ik bijna groot ben ligt Il faut imaginer Sisyphe heureux me nauw aan het hart.

Mijn gewoonten zijn nog niet dermate veranderd. Wat zouden ze ook, wetende dat ze toch telkens weer op dezelfde plek belanden. Mijn bordjes ruim ik nu wel zelf op (al zij het soms met een half dagje vertraging) en ook losse papiertjes liggen nu keurig in de vuilnisbak, maar het blijft een feit dat ik geregeld een hele wasmand met verdwaalde sokken moet uitkieperen op het bed, waarna ik duchtig op zoek ga naar passende paren.

Het duurt gemiddeld een tiental minuten voor de moed me vergaat en ik denk: “deze sokken lijken op elkaar. Ze lijken goed genoeg op elkaar”. Waarop ik ze kunstig samenvouw en in de kast leg. Af en toe vis ik er dan nog eentje van achter de zetel, of uit de kast in de gang. En dan bedenk ik me dat dat eigenlijk niet zo erg hoeft te zijn: een plaats hebben. Weten waar je staat. Ergens thuis horen. Misschien moet ik mijn sokken dat ook wel gunnen.

Proost aan de tere zielen

Als student heb ik veel glamoureuze jobs gehad om de eindjes een beetje netjes aan elkaar te kunnen knopen. Ik werkte op computerbeurzen, stond aan de kassa van de grote gele M, gaf taalkampen en bijles, diende op in een restaurant en vervulde administratieve taken bij een bank, de overheid en onze Belgische gasnetwerkbeheerder. Maar de job die me het meeste zal bijblijven was het baantje dat ik had bij een Antwerps callcenter. Een plek waar ik tot op de dag van vandaag liever niet meer aan denk.

Het werk was doorgaans niet meer dan saai. Eindeloos mensen storen die bezig zijn met het avondeten of de was. Informatie vragen die sommige mensen zo achterdochtig maakte dat ze abrupt de hoorn in de haak sloegen. Targets halen. Hopen dat de wijzer van het uurwerk aan de muur gestaag door zou lopen, wachtend op het moment dat ik zou mogen stoppen met mensen storen. Ik kom niet graag waar ik niet gewenst ben, ook niet via de telefoon.

De meeste projecten waren vrij onschuldig: een tevredenheidsenquête of een simpel marktonderzoek, maar op een dag werd ik op een project gezet waar ik zoveel mogelijk prijzen voor autobanden moest ontfutselen. Ik diende me voor te doen als een potentiële klant en te vragen naar de prijzen voor verschillende merken autobanden. Ik ben er na één à twee van die sessies nooit teruggekeerd.

Bij sommige mensen viel ik door de mand. “Je belt gewoon om prijzen op te halen voor de concurrentie hè?” vroegen ze dan wat bitter. En dan voelde ik me rot. Veel mensen beweren dat het rot voelt om te liegen, maar nog rotter om betrapt te worden. Gênanter, vond ik het, maar dat is niet de reden dat ik, na wat toch wel zeker 3 à 4 jaar moet zijn, me er nog steeds zo slecht over voel.

Ik voel me nog steeds zwaar kut door de vriendelijke mensen, die me zonder argwaan en met een warm hart zo goed geholpen hadden. Veel culturen, subculturen en individuen beschouwen zulke mensen als de zwakke schakel van de kudde. Als je dom genoeg bent om je te laten beetnemen door iemand, dan is het je eigen schuld, einde.

Ik kijk op naar die mensen. Mensen die opgroeien in deze wereld en nog steeds met hun hart op hun mouw gespeld naar buiten komen, of het nu deel uitmaakt van een goeie sales service of van hun persoonlijkheid. Proost aan de tere zielen!

Wat ik leerde uit het bekijken van mijn kinderfoto’s

 Ik werd geboren in één of andere sekte

IMG_0070

IMG_0033

Zo eentje waarin alle vrouwen lange soepjurken dragen.

IMG_0031

Nee echt, wat is dit?

Dat heb je trouwens goed gezien: er zaten inderdaad twee tweelingen en vier rostjes in de klas.

Ik ben altijd beleefd geweest

IMG_0074

Maar had wel al een hekel aan de kapper

IMG_0044

Chocolade, daarentegen, was wel altijd een goede vriend

IMG_0096

IMG_0054

Waarom verder zoeken als je al een paasei hebt gevonden? Impulse control van den Aldi. (de chocolade eieren waarschijnlijk ook, maar die zijn best lekker)

Tanden zijn toch maar overrated

IMG_0034

Kinderarbeid was nog gewoon toegestaan

Of het nu ging om de auto wassen

IMG_0059

Of eten maken

IMG_0092

Ik had swag voor het cool was

IMG_0098

Om nog te zwijgen over mijn overduidelijke street cred

IMG_0019

Ik was een foutje in een Arisch experiment

IMG_0107

Maar alsnog een beloftevol chirurg

IMG_0108

En ik zal nooit meer zo cool zijn als 20 jaar geleden met een roze peignoir en een fristi in de hand

IMG_0062

Onzichtbare pijn

Ik kamp al jaren met chronische pijnen. Soms gaat het weken goed, soms lig ik dagen te vloeken van de pijn. Ik heb regelmatig oorontstekingen, al voor zolang ik me kan herinneren.  ‘Niet zwemmen, niet peuteren’ is al jaar en dag mijn mantra. Als kind had ik buisjes en ik werd al verschillende malen, laatst nog dit jaar, geopereerd om toch maar iets te doen aan dat ‘slechte oor’ (wetenschappelijke term, met dank aan mijn vaste NKO-arts).

Gelukkig heeft moeder natuur iets gevonden tegen al die goddelijke interventie. Ik heb een pak minder last van mijn oor, al durf ik zonder oordopje nog steeds de douche niet in, zit er nog altijd een gat in mijn trommelvlies en ben ik een klein beetje doof. In de plaats daarvan kreeg ik stevige nekpijnen (trapeziumsyndroom, om precies te zijn), die uitstralen naar mijn oor en hoofd. Alsof iemand je constant net iets te hard in je nek knijpt, een vinger in je oor ramt en een paar spijkers je hoofd bij elkaar houden. Daar kunnen jullie nog wat van leren, Chinese watermartelaars.

Op zulke dagen verlaat alle moed me even. Kan iemand me alsjeblieft wakker maken als het voorbij is? Langs de andere kant denk ik dan aan mensen die aanzienlijk vaker met pijnen kampen. Mensen die bijna geen normaal leven meer kunnen leiden. Mensen die van de ene dokter naar de andere worden gestuurd om met wat geluk een diagnose als fibromyalgie opgeplakt te krijgen, al kan dat vaker op heimelijk hoongelach dan op erkenning rekenen. Je ziet er immers niet ziek uit.

Hoe leg je aan een kind uit dat mama enkele dagen alleen moet zijn. Dat ze niet uit bed kan komen om te spelen, om kip met appelmoes klaar te maken voor haar lieveling, om een boekentasje klaar te maken voor een leuke dag op school.

Hoe leg je het uit aan een partner, die het na de zoveelste keer niet kan laten om zich over je luiheid uit te laten als je weer eens levenloos in bed ligt? De was stapelt zich op. De kopjes vormen een gehavende toren in de gootsteen. De honden hebben zichzelf niet gevoerd.

Hoe verklaar je aan je collega’s dat je verbeten gezicht een masker is van pijn, niet van apathie of ongenoegen met je job. De verwarring is snel gemaakt.

Het meest frustrerende aan chronische pijn vind ik niet de pijn zelf, maar het feit dat niemand ze kan zien.